In de VS werden al meer dan een half miljoen eieren uit de rekken gehaald vanwege een salmonella-besmetting bij twee grote verdelers van eieren. Volgens het Centers for Disease Control and Prevention (CDC) gaat het om de grootste uitbraak van salmonella in de VS sinds de start van de controles begin jaren '70. De Food and Drug Administration (FDA) sluit niet uit dat nog meer eieren moeten worden teruggeroepen.
De eieren van Wright County Egg en Hillandale Farms in Iowa worden in zowat de ganse VS verkocht zodat de omvang van de terugroepactie bijzonder groot was. Wright County Egg liet 380 miljoen eieren uit de winkelrekken halen in 22 staten en in Mexico. 170 miljoen eieren van Hillandale Farms of Iowa werden verdeeld in 14 staten zodat het in totaal over meer dan een half miljard eieren gaat die ongeschikt voor consumptie werden verklaard en uit de rekken werden gehaald.
De FDA werd gealarmeerd toen het CDC sedert mei dit jaar in de ganse VS een verviervoudiging vaststelde van het aantal salmonella-gevallen. Omdat verschillende bedrijven eieren afnemen van de twee besmette bedrijven en die verder verkopen onder verschillende merknamen, vermoedt de FDA dat nog kleinere terugroepacties kunnen volgen.
Omwille van de omvang van de besmetting werd besloten om een parlementair onderzoek in te stellen. De voorzitter van de landbouwcommissie Rosa Delauro heeft landbouwminister Tom Vilsack en FDA-baas Margaret Hamburg gevraagd volledig klaarheid te geven inzake de besmetting.
Het FDA heeft intussen honderden stalen genomen op de bedrijven Wright County Egg en Hillandale Farms. Waar het merendeel nog onderzocht wordt, toonden vier stalen al sporen van hetzelfde type salmonella dat in de eieren werd aangetroffen. Het gaat om stalen die genomen zijn van de pluimveemest en van de omgeving waar de kippen vertoeven en het materiaal dat wordt gebruikt. Twee positieve stalen zijn van het voeder afkomstig.
Uit het onderzoek bleek niet dat het voeder nog elders dan op de twee verzegelde pluimveebedrijven is terecht gekomen. Momenteel is nog niet geweten hoe het voeder besmet raakte. Daarvoor worden verschillende sporen onderzocht zoals de oorsprong van de voedergrondstoffen, de opslag van het voeder op de beide bedrijven en de wijze van voederverstrekking.
Posts tonen met het label salmonella pluimvee. Alle posts tonen
Posts tonen met het label salmonella pluimvee. Alle posts tonen
Belgische veestapel groeit
De totale veestapel in België is in 2010 licht gestegen. De sterkste stijging werd vastgesteld in de pluimveehouderij waar 3,5 procent meer dieren werden geteld. Het totaal aantal veebedrijven daarentegen, daalt. Het Belgisch landbouwareaal blijft eerder stabiel (-0,6%). Het areaal aardappelen (+ 9,5%) en koolzaad (+18,6%) kende een sterke groei. Dat blijkt uit de voorlopige resultaten van de landbouwenquête van mei 2010.
In de varkenshouderij zien we een stijging van het aantal varkens (+1,2%), terwijl het aantal bedrijven daalt tot 5.879 (-4,6%). In 2010 zijn er in Vlaanderen opnieuw meer dan 6 miljoen varkens (5.933.240 in 2009 tegenover 6.000.619 in 2010). De varkenssector in Wallonië blijft zeer klein met 398.379 dieren en 754 bedrijven. De groei zit vooral bij de vleesvarkens. Het aantal zeugen is dan weer teruggelopen. Opvallend is ook de sterke daling van het aantal fokberen (-9,9%), maar dat zou verklaard kunnen worden door de groei van kunstmatige inseminatie in België.
Het aantal runderen in België blijft stabiel rond 2,6 miljoen dieren. Ook hier neemt het aantal rundveebedrijven af en wel met 4,8 procent. De daling zette zich sterker door in Vlaanderen (-5,3%) dan in Wallonië (-4,0%). Bij de slachtkalveren zien we een stijging van 8,6 procent. Het aantal melkkoeien en het aantal zoogkoeien blijft min of meer stabiel (beiden -0,5%). Het aantal vaarzen voor de vleesproductie kent wel een opvallende daling (-16,2% bij vaarzen jonger dan een jaar en -8% bij vaarzen van twee jaar of ouder).
Ook de pluimveesector laat eenzelfde fenomen zien, namelijk een stijgend aantal dieren en een dalend aantal bedrijven. Zo telt België in 2010 34,4 miljoen stuks pluimvee waarvan het overgrote deel in Vlaanderen zit (29,2 miljoen). Het aantal bedrijven daalt met één procent tot 3.673, waarvan 2.039 bedrijven in Vlaanderen zijn gelegen. Waar de stapel leghennen min of meer stabiel blijft, stijgt het aantal vleeskippen met 4,7 procent. Die stijging is volledig toe te schrijven aan Vlaanderen (+6,7%). In Wallonië is er een daling van 4,6 procent.
Wat de akkerbouwgewassen betreft, zien we voor de granen, na een daling van de oppervlakte met 5 procent in 2009, een verdere daling in 2010 van 1,8 procent tot 338.666 hectare. De daling manifesteert zich in alle graansoorten, behalve voor wintertarwe waar een stijging van 4,3 procent wordt genoteerd. In Vlaanderen is de stijgende trend nog duidelijker: +5,5 procent.
Na 2009, neemt ook in 2010 het areaal aardappelen toe (+9,5%). België telt nu 80.717 hectare aardappelen waarvan 46.227 hectare in Vlaanderen en 34.490 hectare in Wallonië. Zowel bij de vroege aardappelen als de variëteit bintje zien we een stijging van ruim 10 procent. Waar bintje bij de Waalse aardappeltelers nog veruit de belangrijkste teelt is, neemt in Vlaanderen het belang van vroege aardappelen en andere variëteiten steeds toe. Ook het areaal pootaardappelen is gestegen met maar liefst 15,7 procent in België.
Wat de nijverheidsgewassen betreft, daalt het areaal met 3,3 procent tot 93.220 hectare. In vergelijking met 2009 zijn er opvallende verschuivingen vast te stellen. Het areaal koolzaad stijgt met 18,6 procent tot 11.460 hectare. Die stijging is vooral sterk in Vlaanderen waar het areaal bijna is verdubbeld (+69,3%). Toch blijft de koolzaadteelt in hoofdzaak een Waalse aangelegenheid: 10.699 hectaren tegenover 761 hectare in Vlaanderen. Ook bij de suikerbieten is er een terugloop van het areaal vast te stellen: -5,4 procent tot 59.377 hectare. Het areaal cichorei daalt eveneens(-10,8%), net zoals het areaal landbouwzaden (37,5%).
Het areaal voedergewassen kende een lichte daling van -1,5 procent tot 267.606 hectare. De belangrijkste teelt blijft voedermaïs, maar dat areaal loopt achteruit (-2,3%). Bij de groenvoeders zien we een stijging van 5 procent die volledig op rekening van Wallonië komt (+36,1% tegenover -13,3% in Vlaanderen). Het areaal tijdelijke weiden blijft min of meer stabiel op 79.795 hectare. Voor de voederbieten zien we een daling van -3,6 procent. Die is vooral toe te schrijven aan Vlaanderen (-6,2%), terwijl in Wallonië het areaal gestegen is (+5,3%).
De totale oppervlakte blijvend grasland in Vlaanderen blijft stabiel schommelen rond de 500.000 hectare. Het areaal braakland kende wel een daling van -4,6 procent. Die achteruitgang is vooral het gevolg van het afgenomen areaal in Wallonië (-6,2%). De groenteteelt in openlucht is lichtjes gedaald tot 39.921 hectare (-1%). Bij sierteelt in openlucht is een sterkere daling waar te nemen: -4,3 procent. De teelten in serres blijven min of meer stabiel met 2.113 hectare (-0,6%).
In de varkenshouderij zien we een stijging van het aantal varkens (+1,2%), terwijl het aantal bedrijven daalt tot 5.879 (-4,6%). In 2010 zijn er in Vlaanderen opnieuw meer dan 6 miljoen varkens (5.933.240 in 2009 tegenover 6.000.619 in 2010). De varkenssector in Wallonië blijft zeer klein met 398.379 dieren en 754 bedrijven. De groei zit vooral bij de vleesvarkens. Het aantal zeugen is dan weer teruggelopen. Opvallend is ook de sterke daling van het aantal fokberen (-9,9%), maar dat zou verklaard kunnen worden door de groei van kunstmatige inseminatie in België.
Het aantal runderen in België blijft stabiel rond 2,6 miljoen dieren. Ook hier neemt het aantal rundveebedrijven af en wel met 4,8 procent. De daling zette zich sterker door in Vlaanderen (-5,3%) dan in Wallonië (-4,0%). Bij de slachtkalveren zien we een stijging van 8,6 procent. Het aantal melkkoeien en het aantal zoogkoeien blijft min of meer stabiel (beiden -0,5%). Het aantal vaarzen voor de vleesproductie kent wel een opvallende daling (-16,2% bij vaarzen jonger dan een jaar en -8% bij vaarzen van twee jaar of ouder).
Ook de pluimveesector laat eenzelfde fenomen zien, namelijk een stijgend aantal dieren en een dalend aantal bedrijven. Zo telt België in 2010 34,4 miljoen stuks pluimvee waarvan het overgrote deel in Vlaanderen zit (29,2 miljoen). Het aantal bedrijven daalt met één procent tot 3.673, waarvan 2.039 bedrijven in Vlaanderen zijn gelegen. Waar de stapel leghennen min of meer stabiel blijft, stijgt het aantal vleeskippen met 4,7 procent. Die stijging is volledig toe te schrijven aan Vlaanderen (+6,7%). In Wallonië is er een daling van 4,6 procent.
Wat de akkerbouwgewassen betreft, zien we voor de granen, na een daling van de oppervlakte met 5 procent in 2009, een verdere daling in 2010 van 1,8 procent tot 338.666 hectare. De daling manifesteert zich in alle graansoorten, behalve voor wintertarwe waar een stijging van 4,3 procent wordt genoteerd. In Vlaanderen is de stijgende trend nog duidelijker: +5,5 procent.
Na 2009, neemt ook in 2010 het areaal aardappelen toe (+9,5%). België telt nu 80.717 hectare aardappelen waarvan 46.227 hectare in Vlaanderen en 34.490 hectare in Wallonië. Zowel bij de vroege aardappelen als de variëteit bintje zien we een stijging van ruim 10 procent. Waar bintje bij de Waalse aardappeltelers nog veruit de belangrijkste teelt is, neemt in Vlaanderen het belang van vroege aardappelen en andere variëteiten steeds toe. Ook het areaal pootaardappelen is gestegen met maar liefst 15,7 procent in België.
Wat de nijverheidsgewassen betreft, daalt het areaal met 3,3 procent tot 93.220 hectare. In vergelijking met 2009 zijn er opvallende verschuivingen vast te stellen. Het areaal koolzaad stijgt met 18,6 procent tot 11.460 hectare. Die stijging is vooral sterk in Vlaanderen waar het areaal bijna is verdubbeld (+69,3%). Toch blijft de koolzaadteelt in hoofdzaak een Waalse aangelegenheid: 10.699 hectaren tegenover 761 hectare in Vlaanderen. Ook bij de suikerbieten is er een terugloop van het areaal vast te stellen: -5,4 procent tot 59.377 hectare. Het areaal cichorei daalt eveneens(-10,8%), net zoals het areaal landbouwzaden (37,5%).
Het areaal voedergewassen kende een lichte daling van -1,5 procent tot 267.606 hectare. De belangrijkste teelt blijft voedermaïs, maar dat areaal loopt achteruit (-2,3%). Bij de groenvoeders zien we een stijging van 5 procent die volledig op rekening van Wallonië komt (+36,1% tegenover -13,3% in Vlaanderen). Het areaal tijdelijke weiden blijft min of meer stabiel op 79.795 hectare. Voor de voederbieten zien we een daling van -3,6 procent. Die is vooral toe te schrijven aan Vlaanderen (-6,2%), terwijl in Wallonië het areaal gestegen is (+5,3%).
De totale oppervlakte blijvend grasland in Vlaanderen blijft stabiel schommelen rond de 500.000 hectare. Het areaal braakland kende wel een daling van -4,6 procent. Die achteruitgang is vooral het gevolg van het afgenomen areaal in Wallonië (-6,2%). De groenteteelt in openlucht is lichtjes gedaald tot 39.921 hectare (-1%). Bij sierteelt in openlucht is een sterkere daling waar te nemen: -4,3 procent. De teelten in serres blijven min of meer stabiel met 2.113 hectare (-0,6%).
Salmonella (Paratyphi B var.) Java
Salmonella (Paratyphi B var.) Java is een serotype dat wordt gevonden bij vleeskuikenkoppels.
De oorzaak van deze besmettingen is meestal onbekend. De pluimveevleessector heeft
besloten Salmonella Java aan te pakken om nog meer besmettingen te voorkomen. De bestrijding van Salmonella Java is gebaseerd op een horden aanpak waarbij de maatregelen
steeds worden aangepast. Wanneer de Salmonella Java besmetting na één ronde nog niet is
verdwenen, wordt de aanpak in intensiteit opgevoerd.
Basis Salmonella Java bestrijding
De basis voor Salmonella Java bestrijding is opgenomen in het ‘Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven’ (ook wel bekend onder de term ‘Actieplan’) en is hierdoor verplicht voor vleeskuikenhouders.
Naast de verplichte maatregelen omvat deze folder tevens informatie over
maatregelen die een vleeskuikenhouder kan nemen. Deze ‘vrijwillige’ maatregelen zijn op
basis van diverse bevindingen uit de sector verzameld. In deze folder wordt duidelijk aangegeven
wanneer het om een verplichte, dan wel een vrijwillige maatregel gaat.
Andere serotypes Salmonella en Campylobacter besmettingen
Deze folder richt zich alleen op Salmonella Java, echter ook bij andere serotypes Salmonella
besmettingen en bij een Campylobacter besmetting, dienen vleeskuikenhouders maatregelen
te treffen. Deze maatregelen kunt u terugvinden in het eerder genoemde besluit en in de
meest recente folder over het Actieplan (op te vragen bij PVE).
Maatregelen
Om verspreiden van een Salmonella Java besmetting zoveel mogelijk te vermijden, dient de
pluimveehouder op zijn bedrijf diverse maatregelen te treffen. De maatregelen voor de vleeskuikenhouder
zijn in deze folder beschreven. Het gaat hierbij vooral om:
• Hygiëne / preventiemaatregelen;
• reiniging en desinfectie en
• het uitvoeren van salmonella onderzoeken.
Salmonella Java
Salmonella paratyphi B var Java is een serotype (variant) dat al enkele jaren zeer vaak wordt
gevonden bij vleeskuikenkoppels. De oorzaak van deze besmettingen is meestal onbekend.
Salmonella Java veroorzaakt slechts incidenteel problemen bij de mens. De toenemende antibiotica
resistentie van Salmonella Java vormt echter een bedreiging. Bij een Salmonella
Java infectie werkt het desbetreffende antibioticum dan niet meer bij de mens.
De oorzaak van deze besmettingen is meestal onbekend. De pluimveevleessector heeft
besloten Salmonella Java aan te pakken om nog meer besmettingen te voorkomen. De bestrijding van Salmonella Java is gebaseerd op een horden aanpak waarbij de maatregelen
steeds worden aangepast. Wanneer de Salmonella Java besmetting na één ronde nog niet is
verdwenen, wordt de aanpak in intensiteit opgevoerd.
Basis Salmonella Java bestrijding
De basis voor Salmonella Java bestrijding is opgenomen in het ‘Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven’ (ook wel bekend onder de term ‘Actieplan’) en is hierdoor verplicht voor vleeskuikenhouders.
Naast de verplichte maatregelen omvat deze folder tevens informatie over
maatregelen die een vleeskuikenhouder kan nemen. Deze ‘vrijwillige’ maatregelen zijn op
basis van diverse bevindingen uit de sector verzameld. In deze folder wordt duidelijk aangegeven
wanneer het om een verplichte, dan wel een vrijwillige maatregel gaat.
Andere serotypes Salmonella en Campylobacter besmettingen
Deze folder richt zich alleen op Salmonella Java, echter ook bij andere serotypes Salmonella
besmettingen en bij een Campylobacter besmetting, dienen vleeskuikenhouders maatregelen
te treffen. Deze maatregelen kunt u terugvinden in het eerder genoemde besluit en in de
meest recente folder over het Actieplan (op te vragen bij PVE).
Maatregelen
Om verspreiden van een Salmonella Java besmetting zoveel mogelijk te vermijden, dient de
pluimveehouder op zijn bedrijf diverse maatregelen te treffen. De maatregelen voor de vleeskuikenhouder
zijn in deze folder beschreven. Het gaat hierbij vooral om:
• Hygiëne / preventiemaatregelen;
• reiniging en desinfectie en
• het uitvoeren van salmonella onderzoeken.
Salmonella Java
Salmonella paratyphi B var Java is een serotype (variant) dat al enkele jaren zeer vaak wordt
gevonden bij vleeskuikenkoppels. De oorzaak van deze besmettingen is meestal onbekend.
Salmonella Java veroorzaakt slechts incidenteel problemen bij de mens. De toenemende antibiotica
resistentie van Salmonella Java vormt echter een bedreiging. Bij een Salmonella
Java infectie werkt het desbetreffende antibioticum dan niet meer bij de mens.
Nieuwe EU regels: extra Salmonella aanpak in reproductieschakels
Nieuwe Europese regelgeving schrijft voor dat lidstaten het Salmonella besmettingspercentage in eigen land (nog) verder moeten terugdringen. Zo moeten per stal elke twee weken vijf paar overschoentjes of tweemaal 150 mestmonsters op Salmonella worden onderzocht. Verder zijn er beperkingen opgelegd voor het gebruik van antibiotica.
Actieplan Salmonella
Het Actieplan Salmonella (en Campylobacter) van het Productschap Pluimvee en Eieren is gestart in 1997. De regeling wordt in overleg met vertegenwoordigers van brancheorganisaties (NOP, NVP en NEPLUVI) opgesteld. Naast het onderzoek op Salmonella (en Campylobacter) zijn in het Actieplan ook voorschriften opgenomen rondom hygiëne, reiniging en ontsmetting,
ongediertebestrijding en de doorgifte van informatie naar de volgende en vorige schakel in de keten. Tot slot moeten maatregelen genomen worden in het geval van een besmetting. Ieder bedrijf in de pluimveesector dient zich te houden aan de PPE-voorschriften en wordt hier
ten minste jaarlijks op gecontroleerd.
De wetgeving
De volledige voorschriften van het Actieplan kunt u vinden in de Verordening hygiënevoorschriften Pluimveehouderij (PPE) 2007 en het Hygiënebesluit opfokbedrijven, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven (PPE) 2007. De voorschriften rondom de subsidieregeling staan in de Verordening Subsidieverlening Salmonella (PPE) 2007. Het schema is slechts een hulpmiddel, hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.
De regelingen staan op www.pve.nl kies voor bedrijfsnet, regelgeving.
Actieplan Salmonella
Het Actieplan Salmonella (en Campylobacter) van het Productschap Pluimvee en Eieren is gestart in 1997. De regeling wordt in overleg met vertegenwoordigers van brancheorganisaties (NOP, NVP en NEPLUVI) opgesteld. Naast het onderzoek op Salmonella (en Campylobacter) zijn in het Actieplan ook voorschriften opgenomen rondom hygiëne, reiniging en ontsmetting,
ongediertebestrijding en de doorgifte van informatie naar de volgende en vorige schakel in de keten. Tot slot moeten maatregelen genomen worden in het geval van een besmetting. Ieder bedrijf in de pluimveesector dient zich te houden aan de PPE-voorschriften en wordt hier
ten minste jaarlijks op gecontroleerd.
De wetgeving
De volledige voorschriften van het Actieplan kunt u vinden in de Verordening hygiënevoorschriften Pluimveehouderij (PPE) 2007 en het Hygiënebesluit opfokbedrijven, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven (PPE) 2007. De voorschriften rondom de subsidieregeling staan in de Verordening Subsidieverlening Salmonella (PPE) 2007. Het schema is slechts een hulpmiddel, hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.
De regelingen staan op www.pve.nl kies voor bedrijfsnet, regelgeving.
Effect organische zuren op darmgezondheid pluimvee
Het positieve effect van Agrocid Super op darmgezondheid wordt bereikt in tweestappen. Het toevoegen van Agrocid Super aan drinkwater doodt bacterieënvoordat het water wordt gedronken waardoor de opname van schadelijkebacterieën wordt verlaagd. Stap twee begint zodra het aangezuurde water isopgenomen door het dier. De organische zuren in Agrocid Super verbeteren devertering van het voer en doden schadelijke bacterieën in het maag-darmkanaal.
Verbeterde drinkwaterhygiëne
Water is het belangrijkste voedingsmiddel voor dieren en dient vrij te zijn van schadelijke micro-organismen. De antibacteriële componenten van de in Agrocid Super gebruikte organische zuren verbeteren de microbiologische kwaliteit van het water door Gram-negatieve Enterobacteriaceae zoals Salmonella en E. Coli te doden. Analyses van het laboratorium bevestigen de effectiviteit van deze strategie: resultaten geven aan dat bijna 40% van onbehandelde watermonsters een Enterobacteriaceae niveau van meer dan 100 CFU / ml kennen, terwijl aangezuurde monsters een 0 score hebben. Het aanzuren van drinkwater vermindert ook het aantal besmettingen met gisten en schimmels. Dit verlaagt het risico op geblokkeerde drinknipples en vookomt en verwijdert biofilms in het drinkwatersysteem.
Ondersteuning van de darmgezondheid
In het dier heeft Agrocid Super verschillende eigenschappen die leiden tot een verbeterde darmgezondheid en technische prestatie van de kip. De organische zuren in Agrocid Superverlagen de pH en de buffercapaciteit van het voer in de krop en de maag. Dit remt de groei van Gram-negatieve bacteriën en verbetert de vertering van het voer. Het pHverlagende effect is van groot belang bij stressvolle condities omdat hierdoor een verlaagde productie van maagzuur optreed en bij jonge dieren omdat de pH in hun maag nog relatief hoog is. Jonge vleeskuikens en leghennen zijnkwetsbaarder gedurende de periode dat de darmflora zich nog ontwikkelt. In de darm doodt Agrocid Super Gram-negatieve bacteriën via de synergistische werking van de verschillende organische zuren. Tegelijkertijd wordt de nuttige darmflora (Lactobacillus) ontzien zodat deze de ruimte krijgt om zich te ontwikkelen.
Verbeterde drinkwaterhygiëne
Water is het belangrijkste voedingsmiddel voor dieren en dient vrij te zijn van schadelijke micro-organismen. De antibacteriële componenten van de in Agrocid Super gebruikte organische zuren verbeteren de microbiologische kwaliteit van het water door Gram-negatieve Enterobacteriaceae zoals Salmonella en E. Coli te doden. Analyses van het laboratorium bevestigen de effectiviteit van deze strategie: resultaten geven aan dat bijna 40% van onbehandelde watermonsters een Enterobacteriaceae niveau van meer dan 100 CFU / ml kennen, terwijl aangezuurde monsters een 0 score hebben. Het aanzuren van drinkwater vermindert ook het aantal besmettingen met gisten en schimmels. Dit verlaagt het risico op geblokkeerde drinknipples en vookomt en verwijdert biofilms in het drinkwatersysteem.
Ondersteuning van de darmgezondheid
In het dier heeft Agrocid Super verschillende eigenschappen die leiden tot een verbeterde darmgezondheid en technische prestatie van de kip. De organische zuren in Agrocid Superverlagen de pH en de buffercapaciteit van het voer in de krop en de maag. Dit remt de groei van Gram-negatieve bacteriën en verbetert de vertering van het voer. Het pHverlagende effect is van groot belang bij stressvolle condities omdat hierdoor een verlaagde productie van maagzuur optreed en bij jonge dieren omdat de pH in hun maag nog relatief hoog is. Jonge vleeskuikens en leghennen zijnkwetsbaarder gedurende de periode dat de darmflora zich nog ontwikkelt. In de darm doodt Agrocid Super Gram-negatieve bacteriën via de synergistische werking van de verschillende organische zuren. Tegelijkertijd wordt de nuttige darmflora (Lactobacillus) ontzien zodat deze de ruimte krijgt om zich te ontwikkelen.
Abonneren op:
Posts (Atom)